Het Van Gogh Museum pronkt in deze mooie herfst. Nooit eerder was in Nederland zo’n subliem overzicht van het oeuvre van de Amerikaans/Britse kunstenaar James McNeill Whistler (1834-1903e zien. De tentoonstelling was onlangs in de Londense Tate Gallery en is nu tot 10 januari te bezichtigen in Amsterdam. En gedeeltelijk ook in Museum Mesdag in Den Haag.
Door Karin Abdullah Khan-Feenstra
Hoe vernieuwend en verrassend het werk van James McNeill Whistler rond 190o al leek te zijn, helemaal origineel was het niet. Er waren meer kunstenaars beïnvloed door het Japonisme waar Whistler zo bekend om is geworden. In Parijs schilderde Edouard Manet Japanse waaiers en kamerschermen in zijn werk, de Amsterdammer Breitner schilderde zijn Meisje in Kimono, Claude Monet markeert nog altijd, vooral in Japan, een keerpunt in de kunstgeschiedenis met zijn waterlelies. Whistler ging dus voort op de weg naar art for art’s sake, de kunst omwille van de kunst. Het draaide niet langer om het verhaal of om het onderwerp en al helemaal niet meer om de ethische vermaning zoals dat bijvoorbeeld in The Slave Ship van de Engelse schilder William Turner nog wel het geval was. Whistler streed voor waarheid en schoonheid. Hij had niet zoveel op met opdrachtgevers of met een kunstcriticus als John Ruskin die rondwandelde op de jaarlijkse Salon in Parijs en Londen, waaraan uitsluitend erkende kunstenaars mochten deelnemen. Whistler was volgens Ruskin een probleem. James McNeill was een zelfverklaard autonoom kunstenaar en beide heren kregen het met elkaar aan de stok. Whistler begon tegen Ruskin een proces wegens smaad. Hoewel de rechter hem in het gelijk stelde kreeg Whistler slechts een geringe schadevergoeding wat leidde tot zijn faillissement vanwege de hoge proceskosten.
Hij was een zelfverzekerde dandy en een begeesterd schrijver tegelijkertijd. Veelzeggend is dan ook de titel van zijn bundel “The Gentle Art of Making Enemies”,met daarin de tekst van zijn lezing “Ten O’Clock” uit 188, gehouden in Cambridge en Oxford. Daarin prijst hij Rembrandt als de hogepriester van de kunst, die de pittoreske grootsheid en voorname waardigheid vastlegde in de sjofele jodenbuurt van Amsterdam in plaats van te betreuren dat de bewoners geen klassieke Oude Grieken waren. (…) seeking and finding the beautiful in all conditions and in all times (…), dat was wat hij van Rembrandt had geleerd. Whistler kwam trouwens graag in Nederland waar hij tal van droge naald etsen maakte. “In Holland there is atmosphere” vond hij.
Karikatuur van een rijke en arme pauw, 1876
Krijt en aquarel op papier 181 x 389.2
The Hungarian, University of Glasgow, Glasgow
Hij was zelfs aanwezig bij de opening van Museum Mesdag in Den Haag en dineerde met de organisatoren en een groep kunstenaars onder wie George Hendrik Breitner, Floris Vester en Barbara van Houten. In de weken die volgden ontmoette hij diverse kunstenaarsgroepen in het hele land. Overal werd hij met open armen ontvangen, maar toch vooral in Amsterdam en Den Haag, waar hij voortdurend te gast was bij kunstenaars en bewonderaars thuis waar hij vervolgens toespraken hield temidden van de nodige drinkgelagen. Aldus een brief van Alphons Diepenbrock aan A.J. Derkinderen op 2 oktober 1889. De invloed van Whistler op de Nederlandse kunstwereld was aanzienlijk. De meest Whistleriaanse Nederlandse kunstenaar is wel Willem Witsen, al hebben beide kunstenaars elkaar waarschijnlijk nooit ontmoet. Willem Witsen verbleef in Londen toen Whistler Nederland bezocht.
Maar ook in London wist Whistler zich geïnspireerd door de bedrijvige delen van de stad: de havenwijken. In het eerste gedeelte van de Van Goghtentoonstelling is veel dan dit soort overigens vroeg werk te zien, droge naald etsen op papier gemaakt in London. Prachtig is bijvoorbeeld zijn Black Lion Werf waarmee hij al vroeg succes oogstte. De etsen laten het harde economische leven aan de Thames zien. Niet met een focus op een onderwerp, gebeurtenis of persoon, maar een totaalbeeld van modern leven en vooral de schoonheid ervan.
In een van de eerste tentoonstellingszalen hangt een krijttekening en aquarel van twee vechtende pauwen. Ze symboliseren de arme kunstenaar en zijn vermogende vriend en Londense opdrachtgever, mecenas eigenlijk, Frederick Leyland, met wie hij eveneens een aanvaring van jewelste kreeg toen hij diens eetkamer eigenzinnig inrichtte. Hij had niet gedaan wat was afgesproken en kreeg daarom minder betaald. Als protest bracht Whistler het intrigerende ontwerp in krijt en aquarel op papier van deze twee vechtende pauwen, die op de tentoonstelling hangt, over op het interieur in de vorm van een muurschildering op houten panelen. De uiteindelijk gerealiseerde panelen van deze Peacock Room, voluit: Harmony in Blue and Gold: The Peacock Room, zijn tegenwoordig te bewonderen in het National Museum of Asian Art, Smithsonian Institution, Freer Collection in Washington D.C.
Whistler raakt echt op dreef als hij nachtelijke nocturnes gaat schilderen. Rivierlandschappen van de Thames in het donker zijn het. Ze zijn van grote zeggingskracht en doen ook door de experimentele technieken en in onze ogen tijdloos aan. Hij kon zo vrij werken omdat ze niet in opdracht tot stand kwamen. Met de muzikale term ‘nocturne’ als trouvaille voor deze schilderijen maakt hij duidelijk dat het hem ging om het uitdrukken van persoonlijke ervaringen en gevoelens. Los van de realiteit wilde hij vooral de sfeer overbrengen. Hoewel het er moeiteloos uitziet, kon hij er wel jaren over doen voor hij vond dat een werk af was.
Het was overigens zijn opdrachtgever Frederick Leyland die hem aanraadde zijn schilderijen nocturnes te noemen, naar de pianostukken van Frederic Chopin die hiermee de dromerige sfeer van de nacht wilde oproepen. In de audiotour bij de tentoonstelling in het Van Gogh is deze muziek van Chopin bij de schilderijen te beluisteren, iets wat echt toevoegt.
Veel Japanser wordt het niet in Nocturne: blauw en goud - De oude Battersea Bridge, 1872-1875. Whistler doet hier meer dingen tegelijkertijd. De afsnijding van de brug in close-up, het kiezen van het staande formaat voor het zicht op de rivier en laat de structuur van het doek voor een deel zichtbaar. Dit is niet het enige schilderij waarop te zien is hoezeer hij de Japanse kunstenaar Utagawa Hiroshige bewonderde.
Utagawa Hiroshige (1797-1858)
Kyobashi Takegashi (Takegashi wharf at Kyobashi bridge)
Colour woodblock print
Uit geldnood na het proces tegen kunstcriticus Ruskin ging Whistler weer etsen te maken omdat dat een betrouwbare bron van inkomsten was. Zo kwam het dat The Fine Art Society hem vroeg twaalf etsen van Venetië te maken. Het bood hem de gelegenheid om naar Venetië te gaan en hij bleef er een heel jaar. Opnieuw probeerde hij van alles uit zoals de techniek van pastelkrijt en houtskool. De laatste twintig jaar van zijn leven reisde hij naar Algerije, België, Corsica, Frankrijk en Nederland ondermeer naar Amsterdam. Hij richtte de Company of the Butterfly op om rechtstreeks te kunnen verkopen en zo kunsthandelaren te vermijden.
Uiteindelijk ging het weer financieel beter met Whistler en kocht hij een huis en atelier in Parijs. Hij trouwde met Beatrice Godwin, zijn tweede vrouw, maar ook zij werd ziek net als zijn eerste, en overleed in 1896.
In deze periode wordt Whistler portretschilder van societyfiguren. Rijke opdrachtgevers als de Amerikaan George W. Vanderbilt, die kunst verzamelde en oprecht hield van Whistlers kunst als uitzondering op het Amerikaanse publiek dat hem niet kon waarderen. Amerika, het land dat hij al vroeg had ingeruild voor Groot Brittannië, had meer op met moralistische kunst. In 1897 gaf Vanderbilt aan Whistler opdracht voor een portret dat zes jaar later, toen Whistler overleed, nog steeds niet af was. Mij lijkt het schilderij trouwens meer dan af. Als laatste wil ik graag opmerken dat de tentoonstelling in het Van Gogh opvallend overzichtelijk en helder is ingericht. De teksten bij de geëxposeerde werken zijn kort en raak geformuleerd. Ook dat is natuurlijk een kunst.
Van Gogh Museum, Amsterdam en De Mesdag Collectie Den Haag t/m 10 januari 2027




