Otto Dicke in Dordrechts Museum: virtuoos tekenaar in Hollandse traditie

Otto Dicke, Gezicht op Nieuwe Haven en Grote Kerk Dordrecht, november 1973, collectie Dordrechts Museum, legaat 2013, foto Dordrechts Museum

Door Lucie Th. Vermij

‘Otto Dicke móest tekenen, altijd en overal. Een bio-psychisch proces’, schreef kunstcriticus Piet Begeer ooit. ‘Het tekenen gaat hem even makkelijk af als lopen.’ In 1981 werd Dicke ereburger van Dordrecht en nu heeft het Dordrechts Museum ter gelegenheid van zijn 100ste geboortedag een prachtige tentoonstelling aan zijn werk gewijd.

Otto Dicke (1918-1984) volgde geen tekenopleiding maar bereikte met zelfstudie een bijzonder hoog niveau. Hij werkte met pen en penseel en met ouderwetse rietpennen, die hij zelf sneed. De kunst keek hij af bij kunstenaars van de Haagse School en illustere voorgangers uit de zestiende en zeventiende eeuw als Hendrick Goltzius en Claes Jansz Visscher en natuurlijk de grootste meester Rembrandt. Van Rembrandt sprak vooral de leegte in diens landschapstekeningen hem aan. Wat hij bij de klassieke tekenaars leerde, verwerkte hij in een geheel eigen stijl die je zou kunnen karakteriseren als schetsend in een voortdurende zoektocht naar essentiële lijnen. Schetsen zag hij als een 'samenvattende werkwijze' die ‘hinderlijke detaillering’ voorkwam. Dat leverde betrokken, mooi, stil en trefzeker werk op.

Zijn leven lang werkte hij veel in opdracht voor bedrijven, reclamebureaus, uitgevers en particulieren, met daarnaast altijd vrij werk. De tentoonstelling omvat 75 tekeningen uit dat vrije werk, ingedeeld in vier thema’s: Dordrecht, landschappen, menselijke figuren en Japan. Van Dordrecht zien we niet alleen de bekende oude stadsgezichten en de havens, maar ook de sanering van oude panden in de jaren vijftig, waardoor tot Dicke's verdriet een groot deel van het historisch centrum verloren ging. Wat de menselijke figuren betreft, hij werkte met modellen, maar zijn vrouw en kinderen waren favoriet.

Otto Dicke, Japan 1957, collectie Erven Dicke, foto Dordrechts Museum

In 1957 reisde hij naar Japan voor de KLM, die meerdere kunstenaars de opdracht had gegeven voor een tekening voor de jaarlijkse KLM-kalender. Hij verbleef in Tokio, Osaka en Kioto, bezocht stadswijken, natuurgebieden, tempels, badhuizen en sumoworstelwedstrijden. Hij kwam terug met maar liefst 150 schetsen, hoewel de KLM er slechts één nodig had. Er volgden exposities van de Japanse tekeningen en de algemene waardering voor zijn werk sloeg om in een grote bewondering voor zijn virtuositeit. De KLM-kalender verscheen trouwens nooit, maar Japan betekende wel de doorbraak voor Dicke als kunstenaar.

Dicke's tekeningen zijn intens en betrokken, de verbondenheid met zijn omgeving is overal voelbaar. Zijn heel verstilde landschappen zijn misschien nog het meest emotioneel en persoonlijk. Hier geen uiterlijk vertoon; de landschappen zijn een weerslag van het innerlijk van de kunstenaar. In de polders van de Alblasserwaard en de Krimpenerwaard vond hij de tijd, rust en vrijheid om te kijken. Vanaf de jaren zestig trok hij er met de auto op uit, waar hij dan in ging zitten werken. Die auto bracht hem steeds verder, naar Drenthe en naar Frankrijk, waar hij met collega's regelmatig op tekenreis ging. 'Het landschap is de spiegel van mijn zielenroerselen', zei hij eens in een interview. 'Een grafoloog kan uit mijn landschapen het best mijn karakter afleiden.' Hij bleef ongevoelig voor moderne abstracte kunststromingen.

Otto Dicke, Hermy 1974, collectie Erven Dicke, foto Dordrechts Museum

Tegenwoordig zijn dergelijke schetsen weer erg populair, zowel in de beweging van het zen-zien-tekenen als in het 'urban sketching'. Dicke's werk doet denken aan de tekeningen van Frederick Franck, grondlegger van dat zen-zien-tekenen. Franck gebruikte ook de schetsende lijn die al zoekende de essentie probeert te vangen. Hij publiceerde - onder meer - in 1969 een boek over het Parijs van George Simenon. Otto Dicke was al in 1955 in Parijs met Simon Carmiggelt. Ook zij maakten daar een boek van: Een Hollander in Parijs. Het werk van Otto Dicke is veel grover van lijn en opzet dan dat van Franck. Het heeft een vergelijkbare innerlijke kracht, stilte en verbondenheid, maar Dicke is veel krachtiger.

Otto Dicke, Grote Kerk vanaf Zwijndrecht, oktober 1969, collectie Erven Dicke, foto Dordrechts Museum

Opmerkelijk is dat ik voor mijn gevoel Dicke's werk, tekenstijl en handtekening al heel lang ken, zonder dat ik precies kan achterhalen waarvan. De catalogus bij de tentoonstelling (samengesteld door kleinzoon Matthijs Dicke) maakte mij wat dit betreft niet veel wijzer. Vanaf de jaren vijftig werkte Dicke veel voor reclamebureaus en voor de VARA Radiogids en maakte hij met Cees Buddingh stripverhalen voor dagbladen als De Rotterdammer en de Nieuwe Haagse Courant – voor mij geen bekend terrein. Misschien is het gewoon zijn consequente invulling van de traditionele Hollandse tekentraditie?

Zoon Henk Dicke (1948) heeft de afgelopen jaren alle tekeningen van zijn vader systematisch in kaart gebracht en ook deze tentoonstelling samengesteld. Op de site www.ottodicke.nl is het allemaal te bekijken en te koop. Heel mooi, zeer aanbevelenswaardig.

'Otto Dicke, tekenaar (1918-1984)' is te zien t/m 26 mei 2019 in het Dordrechts Museum, Museumstraat 40, 3311 XP Dordrecht. Voor meer informatie:

https://www.dordrechtsmuseum.nl/tentoonstellingen/otto-dicke/

Catalogus: Matthijs Dicke, Otto Dicke, tekenaar (1918-1984), Wbooks, 2018, € 19,95

Otto Dicke | Tekenaar | 1918-1984

 

Reageren