Door Antje von Graevenitz
Na de Tweede Wereldoorlog werd Londen een hippe stad. Weliswaar waren eerst de ruïnes nog niet helemaal weggeruimd, en zware ervaringen niet vergeten, maar iedereen maakte er het beste van: met nieuwe bands, en een radio-uitzending waaraan het begrip ‘London Calling’ sinds oorlogsverleden is te danken, een film met deze titel over het fenomeen uit 2005, grappige reclame-beelden, die meteen ook t-shirts sierden en feesten op straat. Bovendien was er een gloednieuwe schilderkunst. Aan deze bloeiperiode herinnert nog een paar weken een tentoonstelling in het Kunstmuseum Den Haag. Bij binnenkomst passeer je een muur, waarop grote aan elkaar gemonteerde foto’s de wilde tijd van ‘London Calling’ citeren. Dan pas beginnen zalen vol werken van beroemde en minder beroemde schilders, waaronder in Nederland weinig bekende kunstenaressen, allemaal uit de periode van 1950-1995. Na de veelzeggende foto’s over het naoorlogse leven in de Londense City te hebben gezien- wordt je innerlijk stil. Dat ligt vooral aan de manier waarop enkele, eenzame mensen zonder een mogelijk sociale omgeving worden afgebeeld. Dit ontdek je als rode draad van de tentoonstelling.
Francis Bacon schilderde vaak een man, die het alleen zwaar lijkt te hebben, alsof hij hevig moet lijden. Een andere figuur lijkt zelfs binnen een aangeduide glazen kast (een vitrine?) zittend voor een laag aangebracht gordijn zijn verdriet uit te schreeuwen (“Study for a Portret “, 1952). Fijne penseelstreken duiden zijn drama aan. Hoewel Bacon bekend is door een hele reeks dergelijke schreeuwende portretten van een fictieve paus, lijkt deze figuur eerder op een professor of rechter. Gilt hij om zijn vrijheid? Bacons vraag om empathie van de kijker voor de lijdende mens was toen een nieuw aspect in de schilderkunst. Maar iedere kijker kan het ‘waarom’ en ‘waartoe’ zelf bedenken. Bacon gaf een totaal andere stemming van de naoorlogse mens weer dan de foto’s op de muur deden vermoeden.
De vraag om medeleven keert in de tweede zaal terug: Ook Lucian Freud, de kleinzoon van de psycholoog Sigmund, schilderde eenzame figuren op hun bed of tenminste samen met een huisdier of een verstild in zichzelf gekeerde man (‘Leigh Bowery’, 1991). Het is een schouderstuk van een kennelijk blote kerel met kale kop, die zijn ogen heeft gesloten. Slaapt of mediteert hij? Of voelt hij pijn? Freud laat ons gissen. Leigh Bowery was een beroemd drag queen, die met uitdagende performances optrad en vroeg aan aids overleed. Terwijl deze melancholieke figuur op Freuds manier realistisch geschilderd lijkt, ontdek je opeens dat dit helemaal het geval niet is: penseelstreken hebben op de beigekleurige huid van het gezicht eigenaardige kronkels getrokken, waardoor schijnbaar los van de figuur zelfstandige vormen ontstonden. Het realisme wordt zo verenigd met abstracte contouren, - een proces dat andere schilders in deze tentoonstelling met Freud delen.
Van elkaar onafhankelijke formaties beleef je ook bij een vroeg schilderij van David Hockney.
Eigenlijk dacht je zijn werk goed te kennen: zijn douchende vriend bijvoorbeeld op een bekend schilderij, dat men op deze tentoonstelling niet moet missen. Maar het vroege werk uit 1960 met als titel “The Third Love Painting” is een vrij onbekend werk, een wilde samenstelling van een onsamenhangende figuratie van hybride vormen. Vooraan van de afbeelding neemt een grote huidkleurige fallische vorm met onprecies gelaten contouren de meeste plaats in. Een klein grijskleurig hoofdje lijkt van boven te schreeuwen en ijverig naar de fallische figuur te grijpen. Links en rechts droeg Hockney graffities bij zoals men hen op openbare toiletten kan vinden: “Love must, off any time, here at 7.30, go my brother”. Het eerder indirect geschilderde werk met een toch tamelijk directe boodschap moet toen in 1960 een taboebreker geweest zijn, zeker in de zin van het hippe “London Calling”. Hockney sloeg later met zijn werk een andere weg in met afbeeldingen van rustig bij elkaar zittende mensen.
Maar daarmee niet genoeg: de naoorlogse Britse schilderkunst omvat niet alleen werk van de beroemde London School beginnend 1976, waarbij naast de meest beroemde schilders ook R.B. Kitay, Michael Andrews, en Frank Auerbach hoorden. Leon Kossoff en de net als Auerbach gevluchte Eva Frankfurther telden er niet bij, maar in Den Haag wel. Het Kunstmuseum laat ook schilderijen van Denzil Forrester zien met een bijzonder levendig en ‘wild’ geschilderde stijl (in dit verband van de tentoonstelling is hij een ontdekking met zijn opvallend andere sociale onderwerpen zoals een gevangenname in een politieauto). Hij verkoos Londen in plaats van het Caribische Grenada, dat toen een kolonie was van Engeland. Bovendien kom je in Den Haag weer werk van Paula Rego tegen, die nog 2022 in hetzelfde Kunstmuseum met een solo-exhibitie te zien was, en naast haar andere kunstenaressen waaonder Sylvia Sleigh, Net als Hockney vertrok ze uit London gauw naar Amerika, toen ‘het geloofde land’ voor kunstenaars.
Na het bezoek van de tentoonstelling blijft toch een zeldzame herinnering hangen: het hiaat tussen zo vele liggende, zittende of gedragen figuren (bijvoorbeeld een soort ‘Pietà’ van Paula Rego) aan de ene kant en aan de andere fotokiekjes van vele actief bewegende mensen in de Londense straten. Toch is maar de helft ervan waar: Als men deze schilderkunst in haar kleuren en penseelstreken bekijkt heeft ze nog iets van de expressieve schilderkunst van weleer, maar op een vernieuwende wijze. De beweging zit in de schilderkunst en in de empathie die ze wil oproepen.
(London Calling, Kunstmuseum den Haag, 14 februari t/m 7 juni 2026 in samenwerking met The Tate, London. Een omvangrijke catalogus met veelzijdige afbeeldingen, ook van niet getoonde werken, voor 29,95,-€)


