Door Antje von Graevenitz
Waarmee heb je als beeldhouwer eerder te maken: met inspiratie of eerst louter je materiaal? De Roemeens/Franse beeldhouwer Constantin Brancusi (1878 – 1957) wist er een antwoord op: hij creëerde een groot soort ei van wit marmer en accentueerde het van opzij met een smalle neus, gesloten ogen en een klein mondje. En noemde zijn werk: “De slapende muze” (1910). Steen als hoeder van zijn muze. Omdat Brancusi het ‘gezicht’ op zijn ‘wang’ legde, lijkt het te slapen. Zijn tentoonstelling in het H’ART Museum in Amsterdam begint terecht met de programmatische titel “The Birth of Modern Sculpture”.
Eindelijk kunnen we weer delen in Brancusi’s denkbeelden en zijn consequente wijze van doorwerken aan thema's. Decennia geleden was werk van de befaamde ‘grondlegger van de moderne beeldhouwerkunst’ in Nederland eerder te zien: in 1962 in het Stedelijk Museum in Amsterdam, in 1970 voor het laatst in het Haags Gemeentemuseum. Nu deed zich de kans voor omdat het Centre Pompidou in Parijs aan renovatie toe is. Bovendien moest het daarbij horende atelier van Brancusi worden opgeruimd. Het werd tijd om een Parijse afscheids-tentoonstelling te maken voordat deze doorreisde naar Amsterdam. De expositie is heel bijzonder, ik herinner me niet dat er 35 jaar geleden in Den Haag zoals nu sprake was van Brancusi’s strategie van telkens weer andere groepen werken samenstellen en steeds door te gaan met enkele onderwerpen als muzen, dieren, portretten, elkaar kussende paren en zuilen.
Met een fijn gevoel voor empathie hebben de samenstellers zich in zijn werkwijze verdiept en het op die manier mogelijk gemaakt dat de kijker zelf enigszins in de rol van de beeldhouwer kan kruipen. Je hoort het Brancusi vragen: “Wat zal er gebeuren als ik de slapende muze in het goud zou uitvoeren?” Dan lijkt haar inspiratie opeens te worden gereflecteerd richting de kijker. “Of, wat zou er gebeuren als ik het geabstraheerde muzen-hoofd bovenop zal splijten?” Net als bij een fontanelle van een baby lijkt de slapende muze ook van buiten inspiraties op te nemen.
Brancusi moet veel humor hebben gehad. Soms heeft een sokkel bijvoorbeeld zoiets als een organisch buikje tussen kubische vormen bovenop en daaronder om er een zeldzaam soort kariatide mee voor te stellen. Hij experimenteerde veel. Voor een presentatie in Amerika had Brancusi in 1920 een van zijn witte marmeren eivormen “Sculpture for the Blind” genoemd. Dit werk is niet in het H’ART tentoongesteld anders had men het misschien met gesloten ogen mogen aanraken en de absoluutheid van de gladde, eenvoudige steen mogen voelen, in 1920 nog heel ongewoon.
In Amsterdam staat alles in vitrines of veilig op afstand van de bezoekers. Toch heeft dit als positief effect dat men de werken zo van alle kanten kan beschouwen, terwijl men ze in boeken maar van een kant kan zien. Dat geldt zeker voor de variaties van Brancusis dubbele figuur van de “Kus” (1910), waarbij man en vrouw elkaar zo dicht lijken te omhelzen, dat zelfs beider ogen samen een oog worden. Terwijl beide figuren frontaal beschouwd met elkaar lijken te versmelten, zie je op de achterkant dat hun haar van elkaar verschilt: anders dan de man heeft de vrouw lang haar.
Hoewel er dertig werken te ontdekken zijn, geldt dat jammer genoeg niet voor één hoofdwerk. Brancusis befaamde “Vogel in de ruimte” (vanaf 1924) ontbreekt hoewel er juist in het midden van zijn Parijse atelier in het Centre Pompidou een groot aantal van deze vormen lagen, sommigen zelfs onaf achtergelaten. Voorbeelden daarvan staan in vele musea van de wereld tentoongesteld. Maar er zijn in Amsterdam wel veel van Brancusis dieren: bijvoorbeeld zijn grote “zeehond” (1943), waarbij de grijze steen met zijn marmeren aderen geheel op water lijkt, een gouden “haan” (1935), die lijkt te kraaien en een dikke “jonge vogel II” (1928), die om eten lijkt te schreeuwen. Brancusi liet de snavel weg: een eenvoudig uit de druppelachtige figuur weggehakte vlakte was er genoeg om de kracht van de schreeuw te suggereren.
De héle tentoonstelling ademt leven. Bovendien brengen elf films de beeldhouwer zelf in actie, in zijn studio of buiten in Tirgu Jiu (tegenwoordig Targu Jiu) in Roemenië. Hier bouwde Brancusi in de jaren 1935-1937 zijn drie meest beroemde monumenten in de vorm van een passage. Je ziet hem op de opnames aan het zagen en observeert de plaatsing van het werk dat zo vele jongere kunstenaars inspireerde: zijn 29 meter hoge “eindeloze zuil”. Op de zwart/wit-film is die nog donker, in werkelijkheid staat die verguld in het licht. Volgens de wens van Brancusi moest ook deze as naar de hemel, net als al zijn werken de “essentie van het leven“ belichamen.
De Brancusi-expositie in het H'ART Museum in Amsterdam duurt tot en met 18 januari.
Voor meer informatie: http://www.hartmuseum.nl
Brancusi – De geboorte van moderne sculptuur, W Books 34,95 euro.







