Kinderen van de Haagse School in Museum Panorama Mesdag: spelen, werken, overleven

Het lucifermeisje, Floris Arntzenius, 1890, collectie Haags Historisch Museum

‘Het lucifermeisje’ van Floris Arntzenius (1864-1925), vereeuwigd in 1890, is op de expositie ‘Kinderen van de Haagse School’ in Museum Panorama Mesdag het schrijnendste voorbeeld van  kinderen die eind 19de eeuw moesten bijverdienen om de armoede thuis te verlichten. Het Kinderwetje van Samuel van Houten was in 1874 aangenomen om buitenshuis werken van kinderen te verbieden maar dekte alleen fabrieksarbeid onder de twaalf jaar. Vanwege de vele misstanden had Van Houten een verstrekkender verbod gewild, maar dat voorstel haalde het niet. Huiselijke en persoonlijke diensten en veldarbeid door kinderen van alle leeftijden bleven toegestaan.

Het Haagse museum dat de herinnering aan het echtpaar Mesdag-van Houten levend houdt laat dat onder meer zien op doeken met visserskinderen (die van Jozef Israëls gingen als warme broodjes over de toonbank), kinderen die bijverdienen met ezeltje rijden op het strand (van Hendrik Willem Mesdag) en een jonge herder die nog maar net over de schoft van een koe heen kan kijken (van Anton Mauve). Wally Moes koos voor de verbeelding van jeugdige mandenvlechters tijdens het schaftuurtje. Veelal romantische taferelen, naast de bevoorrechte kinderen van de kunstenaars zelf juist ook de werken met ‘overlevers’.

Twee visserskinderen op het strand, Jozef Israëls, ongedateerd, particuliere collectie

De samenstellers van de expositie, hoofd museale zaken Adrienne Quarles van Ufford en assistent-conservator Boudewien Goslings, ontnemen bezoekers hun mogelijke illusie over de nobele inborst van de kunstenaars. Voorop stond dat er met de verbeelding van arme kinderen goed geld te verdienen viel: ‘Kleine kaskrakers’ noemde co-auteur Jeroen Kapelle van het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis zijn bijdrage aan de catalogus niet voor niets. Een enkeling kreeg wroeging. Wally Moes (‘De kleine kinderen werden door onkunde verwaarloosd, vele kinderen gingen zelden of nooit naar en vele volwassenen konden lezen noch schrijven’) organiseerde daarom in december 1885 met haar vrienden Etha Fles en Jan Veth een kerstfeest voor de arme boerenkinderen van Laren en omgeving. Met een opkomst van driehonderd kinderen, die allemaal een cadeautje, chocolademelk, brood en koek kregen, was het een overdonderend succes.

Het schaftuurtje, Wally Moes, 1885. Museum BoijmansFloris Arntzenius besteedde veel aandacht aan de ongelukkige gezichtsuitdrukking  en ongemakkelijke houding en sloeg geen vlek op haar schort over. Was ‘Het lucifermeisje’ daarmee een sociale aanklacht tegen haar miserabele leven? Waarschijnlijk niet, aldus het bijschrift. In een interview zei Arntzenius ‘dat hij vooral geïnteresseerd was in levendige straattypes in karakteristieke poses’. Kapelle: ‘Uiteindelijk verstomde de aandacht voor de boeren-, vissers- en fabriekskinderen en ging het om de spelende kinderen zelf. Kunstwerken met werkende of spelende kinderen waren en bleven einde negentiende en begin twintigste eeuw een commercieel succes voor de kunstenaars van de Haagse School, tot ver over de Nederlandse grenzen.’ Tot ver over de Nederlandse grenzen is kinderarbeid anno nog steeds de gewoonste zaak van de wereld. Dat illustreert het belang van onze ogen open houden voor schrijnende kindersituaties en kansen(on)gelijkheid, maant directeur Minke Schat ons in haar voorwoord niet voor niets.

Jacob Maris, Kinderkopje/ portret van Henriëtte, 1872, particuliere collectie

De expositie ‘Kinderen van de Haagse School, spelen, werken, overleven’ in Museum Panorama Mesdag duurt tot en met 30-5-2024. De gelijknamige publicatie kost 24,95 euro.

Voor meer informatie: http://www.panorama-mesdag.nl

 

 

Reageren